Gaatjes of cariës, hoe ontstaat het? | Tandarts.nl

Een goede vraag en het antwoord lijkt misschien simpel maar door de jaren heen wordt het antwoord steeds ingewikkelder. We weten namelijk steeds beter hoe gaatjes ontstaan. Eerst dacht men dat het iets met suiker van doen had en met bacteriën. Dit klopt nog steeds, maar er zijn meer factoren bij gekomen. Dat maakt dat de oorzaak van cariës, net als parodontitis, multi-factoreel of multi-causaal is.

Tandplak

Eigenlijk is het woord tandplak alweer ouderwets. Tegenwoordig noemen we het biofilm. Dit bestaat uit meerdere bestanddelen maar het overgrote deel bestaat simpelweg uit bacteriën. Het is dus niet louter voedselresten, wat man vaak denkt. In de volksmond wordt nog vaak plak gezegd en we zullen deze term hier ook gebruiken. De plak poetsen we (gedeeltelijk) weg tijdens het tandenpoetsen. Het is het laagje waar tanden wat gelig en dof van kunnen worden. Als u met uw nagel over uw tand schraapt dan ziet u onder uw nagel een wit beslag, dit zijn die bacteriën. De mondbacteriën krijgt u namelijk al tijdens uw geboorte. Deze allereerste bacteriën zijn nog vrij onschuldig maar zodra deze plak de kans krijgt om uit te groeien dan kan het kwaad gaan doen. Dit kan een tandvleesontsteking zijn maar enkel door invloed van suiker kunnen er gaatjes ontstaan.

Gastheer

Dit spreekt voor zich. Een gaatje kan niet ontstaan als er geen gastheer is; een persoon (of zelfs dier) met een of meerdere tanden en/of kiezen. Maar denk ook eens aan gastheer factoren; een patiënt met minder of minder goed beschermd speeksel kan sneller gaatjes krijgen dan een persoon waarbij het speeksel goed functioneert. Op het moment dat er al erosie is van de gebitselementen, dan is een gaatje snel bij het dentine. Of als er wortels bloot liggen, is er ook veel sneller een gaatje.

Suiker en snoep

Een vaak gehoorde vraag is: “Maar ik snoep helemaal niet veel, hoe kan ik dan toch gaatjes hebben”? Suiker zit niet enkel in snoep, maar zit zelfs in fruit. Men kan zelfs snoepen en geen gaatjes krijgen, dus hoe zit dat nu precies? Suiker zit niet enkel in snoep, maar komt in verschillende vormen voor. Dus in feite maakt het niet of er een product wordt gegeten met erg veel of maar een klein beetje wordt gegeten of gedronken, maar hoe vaak het op de dag wordt gegeten. Gaatjes treden op wanneer de plak suikers afbreekt tot zuur. Bij een pH van 5,5-4 gaat glazuur in oplossing. Pas in plak van drie dagen oud kan de pH voldoende dalen om het glazuur op te lossen. Omdat de plak niet in zijn geheel verdwijnt bij een poetsbeurt moet er vaker gepoetst worden dan een maal per drie dagen.

Tijd

Suiker kan geen gaatjes veroorzaken zonder aanwezigheid van de hierboven beschreven tandplak. De plak wordt verstoord in zijn niet-schade veroorzakende evenwicht als er frequent suiker wordt geconsumeerd. De balans van de plak slaat om en zuurvormende bacteriën kunnen uitgroeien. Het toverwoord is hier ‘frequent’. Dus hoe vaker er suiker op een dag wordt geconsumeerd door de gastheer, hoe meer de plak kan uitgroeien die schade kan veroorzaken in de vorm van gaatjes. Na de zuurstoot stijgt de pH weer richting neutraal. Het glazuur kan zich herstellen van de zuuraanval bij voldoende tijd tussen de zuuraanvallen. Vandaar dat tandartsen en mondhygiënisten adviseren om niet vaker dan 6 a 7 keer per dag iets te eten of te drinken.

Nieuw: omgevingsfactoren, leefstijl, persoonlijke factoren, genetica en fluoride

Mensen met lage Sociaal Economische Status hebben vaak een slechter gebit dan mensen met een hogere SES. Opleiding, sociale klasse, kennis, inkomen, houding en gedrag hangen samen met het aantal gaatjes een persoon krijgt. 

U kunt zich voorstellen dat iemand die denkt zelf totaal geen invloed te hebben op het krijgen van gaatjes sneller gaatjes zal krijgen dan iemand die er van overtuigd is hier wel invloed op te hebben. De laatst genoemde zal  waarschijnlijk meer geneigd zijn om goed voor zichzelf te zorgen en dus regelmatig tandenpoetsen en minder vaak suiker consumeren. Ook of iemand wel/niet fluoride gebruikt heeft invloed of er wel/niet gaatjes ontstaan. Welke opvoeding een kind krijgt, kan bepalend zijn of het (veel) gaatjes krijgt of niet. Een hele strenge aanpak werkt hierbij averechts. Heel soms heeft iemand een glazuurafwijking die (misschien) erfelijk is. 

Kinderen waarvan de ouders veel snoepen, snoepen zelf ook vaker. Wellicht dat zij de vergrote suikerbehoefte overerven. Ook kunnen kinderen bepaalde bacteriën van ouders via speekseloverdracht meekrijgen. Ook hierbij heeft iemand sneller een gaatje. Glazuurafwijkingen zijn (wellicht) erfelijk. Dit wil echter niet zeggen dat het krijgen van gaatjes in dit soort gevallen niet te voorkomen zou zijn of in het proces te stoppen zijn. Door vragen te stellen, goed de ontwikkelingen in het gebit te volgen, kan een mondzorgverlener inschatten wat het risico is om gaatjes te krijgen en zodoende inschatten in welke mate en welke maatregelen er nodig zijn qua preventie. Preventie is daarom altijd maatwerk.

Auteur: Lieneke Steverink