Interview met kindertandarts | Tandarts.nl

De Pedodontoloog

Jaap Veerkamp

“Kinderen zien het nut van behandeling niet in; aan ons de taak daar goed mee om te gaan.”

Jaap Veerkamp is pedodontoloog, oftewel kindertandarts. Hij combineert een staffunctie bij het Academisch Tandheelkundig Centrum Amsterdam (ACTA) met werkzaamheden in zijn eigen praktijk. Een gewogen balans tussen onderzoek en onderwijs binnen de opleiding tot kindertandarts en het behandelen van jonge kinderen met behandelproblemen of extreme angsten. Het zijn kinderen die Jaap behandelt door middel van een goed gesprek of ‘behavioral management’: het toepassen van sedatie (een lichte verdoving) of narcose.

"Maak van het tandenpoetsritueel een leuk moment met de gratis poetstijd app van Aquafresh"

goed poetsen

Om ons medisch panel te completeren, stond de medewerking van een gespecialiseerde kindertandarts hoog op mijn lijstje. En dan praat ik over tandartsen die het niet alleen leuk vinden om kinderen te behandelen, maar ook om zich daadwerkelijk te verdiepen in de ontwikkelingspsychologie van het jonge kind. In Nederland zijn er nog niet zo veel van. In de ons omringende landen is het meer gemeengoed. Ik was dan ook erg blij dat hij bereid is om zijn kennis en expertise met ons te delen. Na ongeveer tien jaar volwassenen te behandelen, heeft hij zijn praktijk tegenwoordig exclusief op kinderen gericht. Waarom eigenlijk, zo luidt mijn eerste vraag?

“Volwassenen behandelen is, met alle respect, eigenlijk heel saai en voorspelbaar. Men komt binnen, gaat zitten in de stoel, ondergaat de behandeling, voert daarna nog een kort beleefdheidsgesprekje en klaar. Kinderen daarentegen komen binnenlopen en zijn helemaal vrij en zichzelf. Als ze opzien tegen de behandeling, dan trekken ze een sip gezicht. En als ze blij zijn, dan maken ze een tekening voor je. Kinderen zijn eerlijk en transparant. Dat maakt werken met hen leuker.

Ik behandel voornamelijk kinderen in de leeftijdsgroep van drie tot en met zeven jaar. Dat is de leeftijd dat ze voor het eerst naar de tandarts gaan. Het merendeel van de kinderen die ik behandelde is extreem angstig, maar er komen ook kinderen met technische problemen. Dan moet je denken aan kinderen die bijvoorbeeld voortanden missen, doordat ze hard en ongelukkig op hun snuit vielen. Kinderen tussen de drie en zeven jaar moeten over het algemeen nog leren omgaan met een bezoek aan de tandarts. Voor de één is dat moeilijker dan voor de ander. Doordat ze nog zo jong zijn, ontstaan er vaak communicatieve problemen. Het is voor de reguliere tandarts lastig om die kinderen goed te behandelen. Voor de omgang met kinderen van die leeftijd gelden immers hele aparte spelregels. Aan oudere kinderen kun je zaken beter uitleggen.”

Pedodontologie is een ander woord voor kindertandheelkunde. Is dat een apart vakgebied binnen de tandheelkunde?

“Ja, de opleiding tot kindertandarts is een specialisatie bovenop de ‘gewone’ studie tot tandarts. Na mijn afstuderen werkte ik op de afdeling kindertandheelkunde van de Vrije Universiteit (VU) in Amsterdam. De VU begon in die tijd met een project voor het behandelen van bange kinderen. Op een gegeven moment was ik het zat om allerlei kennis en informatie bij elkaar te graaien. Daar moeten we een geordende opleiding van maken, dacht ik. Toen hebben we een gestructureerde opleiding voor de kindertandartsen opgebouwd. Mede ingegeven door het idee dat de behandeling van kinderen steeds complexer werd. Ouders claimden meer zorg voor hun kinderen, onder andere doordat de schooltandarts uit het zicht verdween. Daardoor moet een tandarts in feite snel schakelen van ouder naar kind en vice versa. Binnen het onderwijs en bij de reguliere behandelaars was daar weinig over bekend. Dit soort zaken leerde je niet. Tot onze opleiding startte. Zo werd kindertandheelkunde in Nederland een apart vak.”

Wat zijn de meest voorkomende gebitsproblemen bij jonge kinderen?

“Tandbederf, dat wil zeggen cariës (gaatjes) en tanderosie (glazuurschade) in het melkgebit. Het melkgebit vormt een groot probleem. Kinderen onder de vijf jaar worden eigenlijk nauwelijks behandeld in Nederland. Op dit moment hebben kinderen onder de vijf jaar gemiddeld vier gaatjes per kind. Dat geldt voor de helft van de kinderen. En van die groep wordt slechts één op de acht behandeld. Behandelen is hartstikke lastig, aangezien de jonge eigenaar van die tanden en kiezen vanuit zichzelf niet gemotiveerd is, om een tandheelkundige behandeling te ondergaan. Gaatjes verhelpen is behoorlijke belastend voor het kind. Als tandarts wil je het kindergebit hoe dan ook gezond maken, al was het alleen maar om een nog grotere belasting te voorkomen. Maar dat begrijpen kinderen niet. Kinderen zijn ‘momentmensen’. Het korte moment-nadeel afwegen tegen het lange termijn-voordeel, kunnen ze nog niet.”

Is vier gaatjes per kind niet ontzettend veel?

“Ja. Dat is een best veel. Toch is het een enorme verbetering ten opzichte van vroeger. Als je de cijfers van 1969 naast die van nu legt: toen hadden kinderen van die leeftijd gemiddeld vijftien gaatjes. Dat cijfer is beduidend minder. Al sinds 1993 zitten we op drie á vier gaatjes per kind. De laatste tijd vermoeden tandartsen dat kinderen meer gaatjes krijgen. Misschien is dat zo. In 1993 hadden kinderen gemiddeld drie gaatjes en in 1999 gemiddeld vier. Die stijging is echter niet zo groot. Het lijkt er meer op dat we gaatjes vervelender vinden. Tegenwoordig besteden tandartsen veel aandacht aan tandbederf bij kinderen, onder andere door specialisten op te leiden. De ouders zien in dat er wel degelijk iets gedaan kan worden. En dan gebeurt het ook vaker.”

Tanderosie, het oplossen van glazuur op tanden en kiezen door eten & drinken of maagzuur, is een betrekkelijk nieuw fenomeen. Daar hoorde je, toen ik jong was, nog helemaal niets over. Kunnen die hele kleintjes daar ook al last van krijgen?

“Dat kan zeker een rol spelen. Maar er is verschrikkelijk weinig gestructureerd onderzoek naar gedaan. En de onderzoeksresultaten die we hebben, zijn met name op oudere kinderen gericht. Overigens denken we dat tanderosie in de toekomst een fors probleem wordt, maar daar is nog geen wetenschappelijk bewijs voor. Niettemin is het wel een aandachtspunt.

Daarnaast heb je cariës of gaatjes. Als tanden en kiezen net zijn doorgebroken, lijken ze extra kwetsbaar voor gaatjes. Als ouder moet je daarom goed op de gebitsverzorging letten en gezond eten. Kinderen die veel voeding eten die tandbederf veroorzaken, zoals suikers, zijn extra kwetsbaar voor gaatjes. Kinderen van die leeftijd vinden zoet intuïtief lekkerder dan zuur. Pas als ze ouder zijn, gaan ze zuur lekker vinden. Denk maar aan zure matten. Ook frisdranken zijn uitermate slecht voor het gebit. Het grote probleem, met name bij jongeren kinderen, is dus cariës.”

En andere problemen? Komen deze ook regelmatig voor?

Andere gebitsproblemen zijn bijvoorbeeld de glazuurontwikkelingsstoornissen. Die komen bij vijf tot tien procent van de kinderen voor bij de vorming van het gebit. De kiezen breken dan met verzwakt glazuur door. Dat kun je zien aan de bruine kleur, de snelle afbraak van het glazuur en het tandbederf. We noemen ze kaaskiezen, omdat ze nog het meest op brokkelige oude kaas lijken. Er zijn dus wel aparte aandoeningen van het kindergebit, maar die komen slechts weinig voor. Daarentegen lijdt bijna de helft van de bevolking onder cariës. Per jaar worden een kleine tweehonderdduizend kinderen geboren. Op vijfjarige leeftijd hebben honderdduizend kinderen gaatjes. Als we röntgenfoto’s zouden maken, ontdekten we zeker nog meer gaatjes. Maar een foto maken in zo’n klein kindermondje, dat is technisch al haast ondoenlijk – zeker bij zo’n grote doelgroep. Vandaar dat het nauwelijks gebeurt en dat we moeten uitgaan van wat we daadwerkelijk aan de oppervlakte kunnen zien. Die vier gaatjes dus”

Is er eigenlijk een maatstaf voor een gezond kindergebit? Is daar een norm voor? Bijvoorbeeld nul gaatjes is goed, alles daarboven is ongezond?

“Daar is inderdaad een norm voor. Binnen allerlei internationale wetenschappelijke verenigingen hebben we een norm voor Early Childhood Cariës (ECC), oftewel cariës bij jonge kinderen, vastgesteld. De norm voor de aanwezigheid van ECC is als een kind jonger dan drie jaar één of meer beginnende gaatjes heeft. Vijftig procent van de kinderen heeft cariës, waarvan zes of zeven procent veroorzaakt wordt door de zuigfles. Het fenomeen van kindercariës heeft echter bredere oorzaken, zoals zoet eten. Onder een gaatje verstaan we een plekje met ontkalking, een zwakke plek in het glazuur, een onderbreking van de continuïteit van het glazuur of een echt gat in de zin van een kuiltje of een deukje.”

Heeft cariës een relatie met de leeftijd waarop de tandjes doorkomen? Stel dat een kindje pas na zijn eerste verjaardag zijn eerste tandje krijgt. Kun je die norm dan ook automatisch doorschuiven naar later?

“Daar is niets over bekend. Sommige mensen menen dat tanden en kiezen die later doorbreken, sterker zijn. Dat is een fabeltje. Maar als een kindje pas tanden krijgt op eenjarige leeftijd, is één van de belangrijkste oorzaken voor cariës weggenomen. Die oorzaak is het continueren van flesvoeding en borstvoeding, terwijl het kind al tanden heeft. Normaal stop je met fles of borst als het kind een maand of negen is; dan kan het namelijk uit een beker drinken, al dan niet met een beetje hulp. De kans op cariës is zo kleiner.”

Ik dacht altijd dat de zorg voor je gebit al heel vroeg begon. Dat bijvoorbeeld een zwangere moeder door voeding al iets kon betekenen voor de kleine z’n gebit. Klopt dat?

“Nee, pas zodra er tanden en kiezen zijn, praten we over het gebit. Dus zodra het eerste streepje zich aandient, meestal in de onderkaak. Dan moet je als ouder direct met de mondverzorging beginnen. Probeer het aantal zoetmomenten op een dag te beperken bijvoorbeeld. Laat kinderen niet de hele dag door zoete limonade drinken, geef ’s nachts geen flesje zoete drank mee. Ook geen melk, want daarin zit lactose, ofwel melksuiker in. En spoel altijd met water voor ze gaan slapen. Twee keer per dag poetsen met een fluoridehoudende tandpasta is natuurlijk standaard. Er zijn van die hele handige en leuke poetsdingen voor op je vinger. Kinderen ervaren dat als prettig. Het is glad en ze kunnen er lekker op zuigen. Het is eenvoudig voor een ouder om daar een beetje peutertandpasta op te doen. Het gaat niet zozeer om het poetsen, het gaat erom dat je fluoridetandpasta op die tanden en kiezen weet te krijgen.

Hoe werkt tandpasta eigenlijk?

“Een tand is doorlopend bezig te ontkalken en te remineraliseren. Een tand ontkalkt en verdunt onder invloed van zoete en zure dingen die wij eten én drinken. Dat is op zich niet erg. Want je glazuur herstelt weer onder invloed van het speeksel, dat van nature mineralen bevat. Dat heet remineralisatie. Nu is fluoride een verschrikkelijk mooi mineraal zout. Als glazuur ontkalkt, wordt het poreus. Fluoride slaat daar gemakkelijk op neer. Fluoride is, hoe gek dat misschien ook klinkt, een hard materiaal dat goed in het glazuur trekt om het te beschermen. Je kunt dus twee dingen doen: ten eerste geef je, als het kind wat zuurs heeft gehad heeft, een uur lang niks. Onder invloed van het speeksel kan het glazuur dan remineraliseren, oftewel herstellen. Echter, als het kind iets zoets eet, kun je wel direct erna de tanden poetsen. Daarmee beperk je juist het tandbederf. Ten tweede poets je op twee momenten per dag met een fluoridetandpasta. Daarmee ondersteun je als het ware die natuurlijke remineralisatie.”

Een uur wachten met poetsen? Die tijd heb je toch helemaal niet als ouder? ‘s Middags doen kleintjes vaak een dutje na de lunch, en ’s avonds gaan ze na het eten tandenpoetsen, verhaaltje luisteren en naar bed. Eigenlijk zeg je dat tandpoetsen na het eten niet handig is?“

Vroeger gaven ze het advies drie keer per dag poetsen, direct na het eten. Maar met de toegenomen kans op erosie, is dat niet handig. Want om erosie tegen te gaan, moet je juist minder poetsen. Bij erosie werkt zuur uit eten en drinken op je gebit in, lost het mineraal op en zo blijft er een verzwakt glazuur over. Als je dan meteen flink gaat borstelen, haal je het glazuur weg. Ter illustratie: als je alle bomen op een veld omhakt, spoelt het zand tussen de wortels ook gemakkelijker weg. Als je erosie wilt voorkomen, moet je eigenlijk je tanden poetsen vóór het eten. Dat klinkt raar, maar is wetenschappelijk  bewezen.”

Dat mag je even toelichten…

“Als je naar bed gaat en je poetst je tanden, dan poets je, mits je het goed doet, alle bacteriën weg. Het maakt niet uit of je daarna nog iets eet. De veroorzakers van tandbederf zijn niet alleen substraten, oftewel suikers, maar óók de bacteriën. En het duurt vierentwintig uur na het poetsen voor die bacteriën terugkomen. Als je goed poetsen, met de juiste techniek, dan is één keer per dag al voldoende. Vóór het eten. Maar ja, er zijn niet zoveel mensen die goed kunnen poetsen helaas! Vandaar dat we adviseren om na het eten te poetsen. Dan heb je niet alleen de bacteriën weggehaald, maar ook het voedsel. Eigenlijk zou je voor het eten moeten poetsen en na het eten alleen even de resten moeten wegspoelen met water. Ik verwacht dat dit een officieel advies wordt, als erosie daadwerkelijk een groter probleem wordt in de toekomst.”

Wat kunnen ouders nu het beste doen om het gebit van hun kind(eren) goed te verzorgen? Zijn er soort standaard gebitsverzorgingsregels voor kinderen?

“Ja, dat is een lijstje dat je heel simpel kunt afvinken. Over drinken: zodra tanden en kiezen doorbreken, laat je je kind uit een beker drinken. Niet uit een tuitbeker, maar een beker. Dat voorkomt dat ze de hele tijd met limonade of melk in hun mond rondlopen of spelen. Over duimzuigen: niet aanmoedigen. Duimzuigen is nadelig voor de mondfunctie, zoals slikken of praten. Het openhouden van de mond kan slecht zijn voor de mondspieren en uitdroging van de mond veroorzaken.

Daardoor kunnen tanden en kiezen verzwakken. Het liefst afleren dus of een duimsok breien. Wees daar creatief mee, zodat het op speelse wijze gebeurt. Over fopspenen: niet meer na hun derde. Toch zien we liever dat kinderen fopspeentjes gebruiken dan de duim. Dit omdat het gemakkelijk af te leren is: een duim hebben ze immers altijd bij zich.

Hoe zit het met borstvoeding?

Het heeft in principe dezelfde consequenties voor de mondgezondheid als flesgevoede melk. Maar tandbederf gaat wel langzamer bij flesvoeding. Bij borstvoeding liggen de tandjes vaker in een zoet milieu. Met name als de ouder de kinderen ook ’s nachts aanlegt of als ze het kind telkens laat drinken, als het dorst te heeft. Dat is niet goed. Krijgt een kind slechts één keer nachtvoeding, dan zal het niet meteen last van tandbederf krijgen. Maar als een kindje bij de ouders in bed slaapt, telkens een slokje drinkt en dan weer doorslaapt: dat is funest.”

Noem het beroepsdeformatie van mij  – maar kun je uitleggen waarom je kinderen met negen maanden al uit een gewone beker wilt laten drinken?

“Een gewone beker kun je wegzetten. Dan is het drinken klaar. Als je die gewone beker namelijk niet wegzet, dan gooit je kind het geheid een keer om en is de vloerbedekking vies. Als je een anti-lekbeker of tuitbeker gebruikt, dan kun je die met gemak laten staan. Je kind drinkt wanneer het wilt en heeft talloze drinkmomenten per dag. Je hebt kinderen die echt de héle dag aan een beker lurken. Maak van drinken een bewust moment. Zo beperk je het aantal zoetmomenten.

Maakt de manier van poetsen, elektrisch of met de hand, nog uit?“Nee. Elektrische heeft als voordeel dat het wellicht prettiger is voor kinderen. Het heeft iets speelgoedachtigs en maakt geluid. Het is ook handig als je zelf weinig geduld of tijd hebt. Een elektrische tandenborstel hoef je namelijk alleen maar op z’n plaats te houden. Het ding maakt zelf de poetsbeweging. Maar met de hand krijg je het gebit ook honderd procent schoon. Dat kan prettiger zijn als kinderen slechte tanden of kiezen hebben. Je kunt je voorstellen dat poetsen dan pijn doet. Dat is één van de redenen dat ik voorstander ben om aangetaste tanden en kiezen te restaureren. Zodat kinderen in elk geval ontspannen en pijnvrij hun gebit schoonmaken.”

Gebeurt dat dan niet altijd?

Het is de gewoonte in Nederland om bij hele jonge kinderen niet te boren en te vullen: om de boel de boel te laten in het melkgebit. We hebben een onderzoek gedaan, waarbij we tandartsen vroegen: wat zou u doen als u de mogelijkheid had kinderen met gaatjes door te verwijzen naar een gespecialiseerde tandarts? Tachtig procent van de tandartsen stuurt de kinderen liever door. Wij springen dan natuurlijk bij. Niet dat er op elke hoek een kindertandarts zit: er zijn er nog lang niet genoeg.”

Even terug naar het snoepen. Kinderen doen dat nu eenmaal graag. Maar veel ouders willen weten hoeveel, wat en wanneer snoepen verantwoord is?

“Ja, dat begrijp ik. Normaal gesproken zijn er zeven eet- en drinkmomenten per dag. Het ontbijt, de lunch en het diner, inclusief drankjes, dat vormt de basis. Dan heb je vier tussendoortjes. Laat je kind twee keer per dag fruit eten voor een gezonde balans en gebruik de rest om snoep aan te bieden. Zolang je het aantal eetmomenten maar niet overschrijdt. Als je snoep radicaal verbiedt, komen ze er wel op een andere manier aan. Structureer het snoepen. Kies een vast moment op de dag. Om snoep zeuren op een vroeger of later tijdstip heeft dan geen zin: dat moet snel duidelijk zijn. Het zijn oude wetten, die tegenwoordig hartstikke lastig vol te houden zijn. Albert Heijn weet heus wel hoe het werkt. De lekkerste dingen liggen bij de kassa. Uit een onderzoek blijkt dat vijfentachtig procent van de ouders met een kind van twee jaar en ouder, al eens ruzie had over iets lekkers in de supermarkt. Dat is goedbeschouwd een belachelijk hoog getal.”

Met name bij kleine kinderen kun je als ouders dus maar beter een duidelijke en consequente rol bekleden ten aanzien van eet- en drinkmomenten. Wat is de rol van ouders wanneer de kinderen gebitsproblemen hebben?

“Ouders spelen jammer genoeg wel eens een complicerende factor bij de behandeling van kinderen. Als zij bijvoorbeeld angstig zijn, ja, dat bemoeilijkt de zaak. Dat kan wel eens contraproductief zijn. Zeker als ouders bijvoorbeeld zelf gaan huilen. Het maakt verschrikkelijk veel verschil of een ouder relaxed met het tandartsbezoek omgaat of niet. Je kunt je kind het best motiveren door een eerste keer voor te stellen om een keer een praatje te maken met de tandarts. Bijvoorbeeld ‘omdat hij graag je tanden wil tellen’. Dat is honderd keer beter dan dat de ouder het kind naar voren schuift en roept ‘het doet geen pijn’. Dan zie je zo’n kind paniekerig denken ‘help, gaat het pijn doen dan?’. Aan de andere kant is het fijn als de ouders erbij zijn. Soms is het lastig om contact te krijgen met het kind of wil het de mond niet openhouden. Prettig is ook als de ouders het kind steunen en troosten. Daarbij geldt ook hier weer ‘jong geleerd, oud gedaan’. Dus als je je kinderen goed leert poetsen, motiveert om twee keer per jaar naar de tandarts te gaan, geen angst voor de tandarts aanpraat en vermijdingsgedrag voorkomt, dan ben je een goed eind op weg.” 

Jij wordt als tandarts waarschijnlijk vaak geconfronteerd met allerlei fabels over het kindergebit?

Dat klopt, fabels en misverstanden. Laat ik er een paar noemen. Melktanden hoef je niet te verdoven; een melkgebit heeft geen wortels; tandbederf is erfelijk en zo kan ik nog wel even doorgaan. Allemaal onzin en niet op ingaan. Zinniger is het om je tandarts gewoon een vraag te stellen als je ergens mee zit of ergens bang voor bent. De meest gestelde vraag is overigens wat de beste tandpasta is voor je kind. Deze vraag staat al jaren aan top. Maar deze vraag is net zo moeilijk te beantwoorden als ‘welke zeep is de beste?’. Er is geen ‘beste’. Kies vooral een tandpasta die je lekker vindt smaken. En er moet natuurlijk wel fluoride inzitten.”

Stel, je kind heeft, ondanks jouw goede voorzorgsmaatregelen toch een slecht gebit, wat zijn de mogelijkheden tot behandeling?

“Zoveel. Er zijn ook veel ontwikkelingen gaande. Vroeger werd er weinig behandeld. Toen was het sociaal acceptabel om een voortand te missen. Of doorschemerende amalgaamvullingen te zien, met grijze strepen. Tegenwoordig ziet het er in de eerste plaats mooi uit. Waar mogelijk knappen we het op. Veel behandelingen zijn echter belastend voor een kind. Je doet dus alles om dat tot een minimum te beperken. Je begint met een vriendelijke uitleg op een rustige toon. En dan verdoven. Eventueel breng je eerst een verdovend zalfje op het tandvlees aan, zodat het kind de prik niet zo voelt. Sedatie is weer een stap verder. Dan geef je daar bovenop nog een rustgevend medicijn, zoals valium. Overigens staat of valt alles met anticiperen en voorbereiden. Angst is gerelateerd aan anticipatie. Begint een kind te schreeuwen, dan is het kennelijk geschrokken en ben je lang bezig om ze gerust te stellen. Dat kun je beter voorkomen. Vandaar die uitgebreide voorbereiding.”

Het lijkt alsof er tegenwoordig meer tandheelkundige aandoeningen zijn als vroeger. Hoe komt dat?

“Doordat we steeds beter onderscheid leren maken. Het aantal kinderen dat op vijfjarige leeftijd gaatjes heeft, is niet toegenomen. Alleen leerden we, dat het niet alleen maar door de fles komt. We ontdekten dat er bouwfoutjes en ontwikkelingsstoornissen zijn. Dat vloeibaar zoet heel schadelijk is. We krijgen steeds meer inzicht in oorzaken en oplossingen. Het aantal tandheelkundige aandoeningen is niet groter, maar wel diverser.

Heeft de hygiënefabel er iets mee te maken? Dat het moderne leven te veel prikkels heeft voor een kindergebit?

“Zal ik in dat kader eens een gewaagde stelling poneren? Als je veel zoet eet, kun je je tanden beter niet poetsen dan ze slecht poetsen. Want als je een dikke laag tandplak op je tanden en kiezen hebt, moeten de tandbederf veroorzakende bacteriën eerst door die laag tandplak komen. Onderin die laag tandplak, vlak tegen de tand aan, krijgen de bacteriën geen zuurstof meer. Dus maken ze niets meer klaar. De bacterie die tandbederf veroorzaakt, is namelijk een zuurstofminnende bacterie. Dus, het is OF goed poetsen, OF er ‘gras over laten groeien’. Daar komt het in theorie op neer. Maar in de praktijk bevelen we natuurlijk aan om goed te poetsen. Dat is de enige juiste manier. Een dikke laag tandplak heeft weer andere nadelen, zoals ontstoken tandvlees en tandsteen. Die hygiënefabel over te veel prikkels is onzin. Goed poetsen en een schoon gebit zijn in de praktijk essentieel.”

Heb je gezondheidstips voor ouders met kleine kinderen, speciaal met het oog op het toekomstige blijvende gebit?

“Goede mondgewoontes, daar moet je zo jong mogelijk mee beginnen. Dus leer je gebitsbevorderend gedrag vanaf het begin aan. Jong geleerd is oud gedaan. We spraken al over behandelen en restaureren. Maar preventie, het probleem voorkómen, is natuurlijk de kernboodschap. Doordat de tandheelkunde voor volwassenen uit de basisverzekering verdwenen is, gaan veel volwassenen uit kostenbesparende overwegingen nog maar één keer per jaar voor controle naar de tandarts. Daardoor komen hun kinderen automatisch ook minder vaak bij de tandarts. Uit onderzoek blijkt dat kinderen om de acht maanden bij de tandarts kwamen, hoewel de voorkeur van de tandarts gemiddeld om het half jaar lag. De tandartsen vinden zes maanden het beste, wat in de praktijk acht maanden is. Het is een glijdende schaal. Om het helder te zeggen: ga gewoon twee keer per jaar met je kind naar de controle.

Is er wel eens onderzoek gedaan naar de frequentie van tandartsbezoek en het effect op de staat van tanden en kiezen?
“Er loopt nu een onderzoek, waarbij men kijkt of de interval van tandartscontrole invloed heeft op de kwetsbaarheid van het gebit. Dat is erg ingewikkeld om vast te stellen. Tandartsbezoek wordt vaak economisch bepaald. Als de tandarts geen tijd heeft, dan wordt de controle opgeschoven. En als de bezoeker geen geld heeft, wordt het ook uitgesteld. In Finland hebben tandartsen het op dit moment zo druk dat sommige controles maar eens in de twee jaar plaatsvinden. Persoonlijk denk ik dat er in twee jaar heel wat gebeurt. Dus om een patiëntje voor twee jaar gedag te zeggen, nee, daar wil ik niet aan. In Nederland zit de hele jeugdzorg in de basisverzekering. Dat is een groot goed.”

Laatste vraag: je bent naast tandarts ook onderzoeker. Wat zou je nog willen onderzoeken? Waar ligt je interesse?

“Ik zit graag in de gedragshoek. Mijn onderzoeken gaan over angst en pijn bij kinderen en de daarmee samenhangend kwaliteit van leven. Dat vind ik persoonlijk het leukst om te doen. Een onderzoek moet de kwaliteit voor het kind verbeteren. Behandelingen moeten aangenamer voor het kind worden, je moet het gebit zo gaaf mogelijk houden. En als het gebit niet gaaf meer is, dan herstellen we het gebit. Op een kindvriendelijke manier. Zo zie ik het, dat vind ik belangrijk.”

Deze informatie en/of conclusies zijn gebaseerd op de mening van de auteur, welke weer gebaseerd zijn op de huidige stand der wetenschap.